Skip links
Inhoud

WAAROM ZIJN ER ZOVEEL GELOVEN?

woensdag 26 mei 2010 08:52

Vandaag gaat het over religies. Ik wil een poging doen om die wat beter te begrijpen. Dat sluit helemaal aan op de vraag van vandaag:

WAAROM ZIJN ER ZOVEEL GELOVEN?

Dat lijkt me een vrij logische vraag voor een kind dat wat om zich heen heeft gekeken. Ook kinderen valt het uiteraard op dat de een naar een kerk gaat, de ander naar een synagoge en de derde naar een moskee. Een vraag die je onmiddellijk kunt verwachten is dan natuurlijk wat het verschil is tussen al die godsdienstige huizen, en vooral de godsdiensten waar die huizen voor staan. Maar deze jongen gaat nog wat dieper. Hij stelt de waarom-vraag voor al die religies. Wat is daar nou toch de bedoeling van? Misschien denkt hij wel bij zichzelf: als er nou maar één God is, waarom bedenken al die mensen dan een totaal andere manier om met die God om te gaan? Dat is dus de eigenlijke vraag: ‘Waarom zijn ze allemaal zo verschillend?’

Een manier om deze vraag naar kinderen toe te beantwoorden kan zijn om die sterk te vereenvoudigen. Die godsdiensten zien er allemaal wel heel verschillend uit, maar zijn ze in de kern eigenlijk wel zo totaal anders? Laten we eens proberen die kern te vatten. Ik stel u het volgende voor:

Alle religies zijn zoektochten naar antwoorden op de diepste vragen en noden van de mens. Nou, die diepste noden, dat zijn er helemaal niet zo veel. Om wat te noemen: de zonde – dat wil zeggen de menselijke zwakheid om het goede te kiezen, de dood, de vraag hoe je je leven moet inrichten. Heel veel meer zijn er niet. En de religies zoeken daar een antwoord op. Straks zal ik daar dieper op ingaan. Laten we eerst eens kijken welk antwoord we kinderen kunnen geven. Als de godsdiensten in wezen niet zo anders zijn, hoeveel verschillen zijn er dan nog? Dertig misschien? Of tien? Nou, mijn suggestie is om terug te gaan tot drie! Ik stel dus voor kinderen te leren dat er eigenlijk helemaal niet zoveel geloven zijn, als je ’t goed bekijkt maar drie. En ik wil u dat antwoord in drie verschillende vormen voorstellen.

 

a. De eerste suggestie gaat over de god waarop mensen vertrouwen.

Waarom zijn er zoveel geloven? Nou dat valt wel mee, er zijn er eigenlijk maar drie:

geloven in veel goden, geloven in één god, of geloven in géén god

Hindoes geloven bijvoorbeeld in veel goden. Die goden zijn vaak goed en slecht tegelijk. Je kunt ze dus nooit helemaal vertrouwen. Andere mensen zoals christenen geloven in één God, die je wel kunt vertrouwen. Weer anderen, zoals boeddhisten, geloven eigenlijk niet in een God, maar in een manier van leven; die kunnen alleen op zichzelf vertrouwen.

b. Mijn tweede suggestie stelt de vraag waarop mensen hun vertrouwen stellen wat ruimer.

Er zijn maar drie geloven:

geloven die de natuur vereren, die God vereren, en die mensen vereren

De natuur vereren betekent: vertrouwen dat de aarde in stand blijft en ervoor zal zorgen dat er altijd genoeg eten zal zijn. God vereren betekent vertrouwen dat Hij ons zegent. Mensen vereren betekent vertrouwen dat de mens zelf overal voor zorgt.

c. De derde suggestie gaat in op de aard van het vertrouwen zelf.

Er zijn maar drie geloven: het zeker-weten geloof, dat is een rotsvast vertrouwen, het misschien-geloof, dat is weinig vertrouwen, en on-geloof, dat is helemaal geen vertrouwen. Ook op deze manier zou u dus kunnen uitkomen bij drie geloven.

 

Ik heb u beloofd dieper in te gaan op de vraag wat de diepste menselijke noden zijn, en hoe de religies daarop inspelen. Dat wil ik nu graag doen.

Laten we eerst de vraag van vandaag nog eens wat nader onderzoeken:

WAAROM ZIJN ER ZOVEEL GELOVEN?

Kinderen denken nog niet genuanceerd, en ook niet bevooroordeeld. Een vraag kan dan soms ook anders bedoeld zijn dan wat wij volwassenen erin horen. De vraag van vandaag is daar een goed voorbeeld van. Ik denk namelijk dat een kind die stelt met de aandacht op God gericht, dus in de richting van: ‘Waarom vindt God het goed dat het zo’n rommeltje is met al die godsdiensten?’ Terwijl wij volwassenen die vraag anders horen, namelijk als op het gedrag van mensen gericht, dus in de richting van: ‘Waarom kijken we allemaal zo anders tegen God aan?’ Als dat zo is, horen we de vraag anders dan die bedoeld is, en zullen we dus ook wel snel een antwoord geven dat niet aansluit op de bedoeling van het kind. Daarom zal een kind dat als antwoord krijgt: ‘Omdat wij mensen allemaal zo anders zijn’, dat antwoord maar moeilijk kunnen geloven. Dat antwoord is namelijk vanuit de mens gegeven en houdt niet eens rekening met de eventuele inbreng van God zelf. Alsof het voor God allemaal niet uitmaakt wat je tegen hem zegt, of voor hem doet, of in zijn naam tegen anderen zegt, of van anderen eist. Zo’n God is als ik het een beetje overdreven voorstel een soort vrolijke oom die zich op de buik slaat van het lachen bij al het kattekwaad dat zijn neefjes uithalen. Ik denk dat een kind zich zo’n God niet kan voorstellen. Deze jongen wil dus volgens mij weten hoe God het in vredesnaam kan toelaten dat er zoveel invullingen bestaan van de omgang met hem. En dan ook nog eens invullingen die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden. De vraag luidt dan vrij vertaald: ‘Waarom is er zoveel strijd tussen mensen die in God geloven?’

Een antwoord dat verwijst naar onze cultuurverschillen kan dus niet bevredigen. Laten we nu eens bij het formuleren van een antwoord proberen te zoeken naar wat alle mensen verbindt en niet naar wat ons scheidt. Waar komen de godsdiensten vandaan? Wat drijft ons mensen ertoe om overal op aarde structurele en eeuwen overspannende zoektochten te organiseren naar God? Een algemeen antwoord is: de mens is een godzoeker omdat hij van alles mist en zich een god voorstelt die hem van alles kan geven. Er is ook nog een wat specifieker antwoord dat je als gelovige kunt geven, en dat zou ik u straks willen voorstellen aan kinderen door te geven. Maar dit antwoord wat ik net gaf: de mens loopt rond met een gemis en zoekt God die dat gemis aan vervullen, komt mijns inziens dicht in de buurt van de actuele werkelijkheid. Prof. J.H. Bavinck, psycholoog en zendingsman van pakweg zestig jaar geleden, deed diepgaand onderzoek naar de Javaanse religies en kwam tot vijf opvallende aspecten van het menselijk bestaan die kenmerkend zijn voor het religieus besef van de mens. Ik geef u nu die vijf aspecten.

1. Ten eerste is er wat Bavinck noemt het ‘totaliteitsbesef’. Daarmee bedoelt hij: het algemeen menselijke vermoeden dat de kosmos niet dood en leeg is, maar levend en geordend, en dat wij mensen daar niet alleen onderdeel van uitmaken, maar dat het leven op aarde die ‘wereld daarboven’ ook weerspiegelt. De processen in de ‘bovenwereld’ die ons in verhalen worden verteld, vinden ook op aarde plaats.

2. Ten tweede kwam Bavinck bij alle verschillende religies het ‘normbesef’ tegen. Dat wordt ook wel eens genoemd het ‘du sollst’, ‘gij zult’. Dat ‘du sollst’ zegt mij hoe ik leven moet. Het is iets dat van buiten de mens komt, hij heeft daarover niet de beschikking. Het is bovendien iets waarmee de mens voortdurend in tweegesprek leeft. Zijn leven moet er een antwoord op zijn.

3. Ten derde is er de algemene menselijke betrekking tot wat men noemt een ‘hogere macht’. Dat is het besef dat er iets boven ons staat, of tegenover ons, een iets of iemand met wie wij onontkoombaar een relatie hebben, wat de aard van die relatie dan ook is.

4. Ten vierde kwam Bavinck overal de verlossingsgedachte tegen. Bij alle mensen op aarde leeft het besef van het tekort, de mislukking, de gebrokenheid van het bestaan, de ondefinieerbare kortsluiting van de mens met zijn omgeving. Dat openbaart zich in verschillende vormen. Het kan de vloek zijn, of de onwetendheid, of het ik, het ego. Daaruit is dan vanzelf het verlangen naar verlossing ontstaan, of die nu door mijzelf of door een ander teweeggebracht moet worden.

  1. Tenslotte bestaat er overal op aarde een spanning tussen daad en lot, tussen de mens en zijn Schicksal, zijn noodlot. Mag men ingrijpen in het levensverloop of mag men dat niet? Mag men zelf zijn lot bepalen? Is de daad die men stelt misschien zelf wel onderdeel van het lot? Wordt alles op de een of andere manier zo bestuurd? Is ons hele handelen uiteindelijk niet de uitwerking van datgene wat allang vaststaat?

  2.  

WAAROM ZIJN ER ZOVEEL GELOVEN?

Dat is de vraag van vandaag. Ik gaf zojuist al een algemeen antwoord: omdat mensen van alles kwijt zijn en zich een god voorstellen die hen van alles kan geven. En om tot dat antwoord te komen hebben we met behulp van Prof. Bavinck verkend welke aspecten het religieus besef van de mens bepalen. Dat zijn er vijf:

het totaliteitsbesef – we zijn deel van een groter geheel

het normbesef – er is een morele plicht waaraan ik moet voldoen

het besef van een hogere macht – ik sta in betrekking tot iets of iemand boven mij

het verlangen naar verlossing – het leven is gebroken en moet geheeld worden

de verhouding tussen het onpersoonlijke lot en de menselijke daad – hoe groot is

onze beslissingsvrijheid?

Met die verkenning heb ik willen aangeven dat het bestaan van religies nogal voorspelbaar is. Het is niet vreemd dat ze er zijn en dat ze over de hele aarde en over de hele geschiedenis verspreid zijn. Wij mensen hebben deze vijf zeer diepe ervaringsgerichte elementen van ons bestaan met elkaar gemeen. Het besef dat dat zo is kan helpen in ons begrip voor elkaar, zonder dat we elkaars religie meteen als waarheid moeten beschouwen. Maar die vijf aspecten van ons religieus besef tonen ons dat we een gemeenschappelijke lot hebben. Waarom zijn er zoveel geloven? Omdat wij mensen allemaal arme zondaren zijn, op zoek naar het verloren paradijs. Dat is de simpele waarheid. U merkt dat ik de hoeveelheid van de godsdiensten eigenlijk niet aanroer. Ik heb de vraag expres niet als kwantitatief opgevat. De reden heb ik u al gegeven, namelijk het vermoeden dat deze jongen niet benieuwd is naar de verschillen tussen al die godsdiensten, maar wil weten waarom al die verschillen er zomaar zijn. Hoe kan dit bestaan voor het aangezicht van God? Nou dat kan omdat het zoeken van de mens grote beperkingen kent, en daarom vanzelf heel verschillend wordt ingevuld. Niemand heeft de waarheid in pacht. Daarom zijn er zoveel verschillende geloven.

Nu moet ik meteen wat ophelderen. Ik geloof beslist dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is. Daar bouw ik mijn hele bestaan op. Maar daar gaat het hier niet over. We hebben het niet over heilsfeiten, of over de geloofsleer in het algemeen. Dit kind vraagt naar de godsdiensten in hun verschijningsvorm. Dus daar praat ik over. En daar heeft het christendom gewoon zijn plaats in, met dingen die waar zijn en dingen die onzin zijn. Ik heb de wijsheid uiteraard ook niet in pacht.

 

Een antwoord naar kinderen toe heb ik u in het begin al gegeven: ‘er zijn maar drie geloven’, en dat antwoord gaf ik u in drie verschillende variaties. We zouden er ook voor kunnen kiezen een kinderlijke vertaling te geven van die vijf aspecten van religieus besef. Maar ja, dat is net zoiets ingewikkelds als cultuurverschillen, die een kind ook niet begrijpt, dus liever niet. Maar het kan ook anders. Het antwoord van daarstraks is heel verstandelijk en feitelijk. We zouden als tweede antwoord kunnen kiezen voor een geloofsantwoord, dat gebaseerd is op wat ik van het bijbelse getuigenis begrijp. Als gelovige zeg ik dan: de mens is een godzoeker omdat hij een herinnering heeft aan zijn Schepper, die hij is kwijtgeraakt. Paradise lost. En nu zoekt hij dat verloren paradijs weer terug. Vandaar al die godsdiensten. Naar kinderen toe luidt het antwoord dan als volgt:

Dat er zoveel geloven zijn, komt door heimwee naar God. Wij mensen zijn God kwijtgeraakt. Wij kennen onze eigen Maker niet. Maar ja, je eigen Schepper stuf je natuurlijk ook weer niet zomaar even uit je geheugen. Er is bij de mensen als het ware altijd een soort herinnering bewaard gebleven aan de God die alles maakte. Die herinnering aan de Schepper is alleen erg duister geworden. De mensen zijn stenen gaan aanbidden en sterren en dieren en voorouders en de zon, en mensen. Dat komt omdat ze best wel God wilden terugvinden, maar dan in een vorm waarmee je tegelijk alles in eigen hand kunt blijven houden. Niet een God die zélf uitmaakt hoe Hij benaderd wil worden. Heel dubbel dus. Aan de ene kant konden ze de Schepper diep in hun hart toch niet echt missen. Maar aan de andere kant wilden ze hun eigen regeltjes blijven volgen. Zo zijn de godsdiensten ontstaan.

In die godsdiensten zit dus veel verlangen. Ze zijn niet zomaar allemaal vals. Er zijn mensen in andere godsdiensten die, als ze over Jezus zouden horen, Hem vast als Levensgids zouden accepteren. Dat gebeurt trouwens ook nog steeds. Er is dus niet alleen een vage herinnering. Er is ook herkenning van wat waar en echt en zuiver is. Gelukkig laat God de mensen niet los, al is het andersom wel zo.’

Dat is mijn antwoord. Tot de volgende keer.

 

Tags

«Terug

Archief > 2010

juni

mei

april

maart

februari

januari






Luister LIVE Inloggen