
Marianne Grandia: "Je kunt Gods liefde niet verspelen of verdienen"
22 oktober 2026Drieënhalf jaar lang gaven Marianne Grandia en haar man Ad alles voor hun werk bij het Leger des Heils in Utrecht. Ze deden hun huis en caravan weg, in de overtuiging dat dit hun leven lang zou duren. Toen haar lichaam aan de bel trok, moesten ze echter stoppen. In gesprek met Thijs vertelt de schrijfster en spreekster over het afscheid, een nieuwe baan die als reddingsboei kwam en de nacht waarin ze leerde dat ze Gods liefde niet hoeft te begrijpen.
Alles opgeven
Toen Marianne en Ad bij het Leger des Heils begonnen, dachten ze niet dat het een tijdelijke stap zou zijn. “Het idee was echt: je stapt hierin en dit doe je tot je tachtigste, of totdat je echt niet meer kunt. Dat was ook hoe wij erin stonden. Je geeft werk op, Ad gaf zijn werk op, je geeft je huis op, we deden onze caravan weg. Eigenlijk geef je alles op en je gaat ervoor.”
Daarom kwam het stoppen na drieënhalf jaar hard aan. “Dat brengt verwarring met zich mee, verdriet, maar ook echt een stukje rouw.” Ad heeft inmiddels een mooie baan in Eindhoven, maar zijn hart is nog niet helemaal mee. “Hij zegt weleens: mijn auto slaat ‘s morgens rechtsaf naar Eindhoven, maar mijn hart slaat nog steeds linksaf naar Utrecht.”
Dat komt door de mensen daar. “We zijn zó van die mensen gaan houden. Die gaan echt nooit meer uit mijn hart.” Marianne schreef onlangs een novelle, en droeg die op aan iedereen die in die periode in hun hart is komen wonen.
Een lichaam dat iets probeerde te vertellen
Loslaten was voor Marianne pijnlijk. “Het voelde echt als losscheuren. Ik dacht steeds: hoe maak ik me ooit los van deze roeping? Hoe maak ik me ooit los van deze mensen? Toch moet je het uiteindelijk doen.”
Wat haar daarbij uiteindelijk hielp, was een nare ervaring. “Eind oktober vorig jaar ging ik opnieuw met een ambulance naar de spoedeisende hulp vanwege hartklachten. Toen zei de ambulancebroeder: mevrouw, uw lichaam probeert u iets te vertellen.” Haar hele lichaam was ontregeld. “Mijn hart, mijn bloedsuiker, mijn bloedwaarden. Alles."
Ook Ad kreeg overspanningsklachten. “Op een gegeven moment hebben we tegen elkaar gezegd: hoe lang kunnen we dit nog negeren? Is dit nog verantwoord?” Er waren geen mogelijkheden om het anders in te richten. Toch bleef de hoop. “Tot op de dag van mijn afscheid heb ik gehoopt dat God nog een oplossing uit de lucht zou laten vallen. Dat gebeurde niet. Ik heb er ontzettend veel om gehuild, en soms nog. Tegelijkertijd hebben we geen twijfel dat het anders moest.”
“We zijn niet van de weg af”
Je zou kunnen denken dat je moet volhouden, als God je ergens heeft geplaatst. Dat dacht Marianne zelf ook heel lang. Totdat iemand binnen het Leger des Heils iets tegen hen zei. “De route loopt anders, maar je bent niet van de weg af.”
Dat zette haar aan het denken. “Misschien hebben wij zelf ingevuld dat geroepen zijn betekent dat we hier tot ons tachtigste blijven. Dat is nooit expliciet Gods plan geweest. Dat hebben wij er misschien zelf van gemaakt.” Ze ervaart nog steeds dat God deuren opent. “Je hoeft geen officier bij het Leger des Heils te zijn om in Gods Koninkrijk te werken. Dat kan ook op heel veel andere manieren. Daar hebben we rust in gevonden.”
Een reddingsboei
Toch bleven er zorgen. “We voelden ons altijd samen geroepen. Hoe werkt dat als Ad nog doorgaat en ik stop? Hoe kom ik ooit los van Utrecht als hij er elke dag naartoe blijft gaan?” Toen gebeurde er iets bijzonders. “Ad werd benaderd door een oud-collega voor een project in de installatietechniek. Veertig jaar geleden had hij daarin gewerkt. Hij ging praten, kreeg vrijwel direct een contract aangeboden en binnen een paar dagen was alles rond.”
Voor Marianne voelde dat als een reddingsboei. “Alsof God zei: Ik zorg voor jullie.” Ook financieel, want ze woonden niet meer in een huis van het Leger des Heils. Ze waren verhuisd naar een seniorenappartement, mede vanwege Mariannes evenwichtsstoornis. “Achteraf zien we dat ook als leiding van God.”
Dankzij de baan van Ad kreeg Marianne de ruimte om weer fulltime te schrijven en te spreken. “Dat voelde als een zalf op de wond. Een bevestiging dat de route anders loopt, maar dat we ieder op onze eigen manier verder mogen bouwen in Gods Koninkrijk. Dus naast veel verdriet voelen we ook veel dankbaarheid en hoop. We voelen ons nog steeds enorm gezegend.”
Een slap elastiekje
Marianne was onlangs spreker bij het thema Grenzeloos, maar grenzen stellen is nog steeds lastig voor haar. “Ik heb eigenlijk iemand nodig die mij begrenst. Ik kan mezelf totaal verliezen in wat ik doe. Ik rek mijn grenzen voortdurend op, totdat ik eigenlijk een slap elastiekje ben geworden dat te lang onder spanning heeft gestaan. Dat was ook precies wat er gebeurde.”
Daarom hebben Ad en zij een afspraak. “Als iemand mij ergens voor vraagt, overleg ik eerst met hem voordat ik ja zeg. Dan zegt hij soms: wanneer wilde je dat gaan doen? Tussen drie en vier uur vannacht? En dan denk ik: o ja...”
Dat ze zelf geen grenzen trekt, heeft redenen. “Ik kan me heel verantwoordelijk voelen. En ik vind ook gewoon alles leuk. Dat is een mooie eigenschap, maar ook een valkuil. Bovendien zit er, als ik eerlijk ben, nog steeds een stukje in dat bang is om mensen teleur te stellen. Misschien ook een stukje behoefte aan bevestiging.”
Liefde proberen te verdienen
Marianne herkent dat ook in haar relatie met God. “Niet per se zodat Hij tevreden zou zijn, maar wel omdat ik dacht dat er iets van mij moest zijn waardoor Hij van mij kon houden. Ik vond mezelf zijn liefde niet waard. Dus ging ik hard werken. Al van jongs af aan. In de kerk, op de zondagsschool, overal. Dan had Hij tenminste nog iets aan mij.”
Elke vraag die op haar pad kwam, kreeg een ja. “Eigenlijk omdat ik wilde laten zien: kijk eens wat ik allemaal voor U doe. Maar ondertussen zat mijn hart nog volledig op slot.” Een moment waarop het genoeg was, kwam nooit. “Het is nooit genoeg. En dat is precies het mooie van genade. Je kunt het niet verdienen. Maar je kunt het ook niet verspelen.”
Dát is nu genade
Bijna twintig jaar geleden zat Marianne helemaal aan de grond. “Ik hield niet van mezelf. Ik begreep niet dat andere mensen van mij hielden. En al helemaal niet dat God van mij hield. Ik kende alle Bijbelteksten over genade en liefde. Maar ik had mijn hele leven geprobeerd te begrijpen waarom God van mij hield. Omdat ik het niet begreep, kon ik het niet ontvangen.”
Op een nacht schreeuwde ze het uit. “Ik snap het niet. Hoe kunt U van mij houden? En toen hoorde ik Gods stem zeggen: maar dát is nu genade.” Zijn liefde bleek ze niet te kunnen verdienen door alles wat ze goed deed, en ook niet te verspelen door wat ze fout deed. “Het was een geschenk. Ik hoefde het niet te begrijpen. Ik hoefde het alleen te ontvangen. Dat was echt het kantelpunt.”
Sindsdien probeert ze Gods liefde niet meer te begrijpen. “Want stel je voor dat ik zou begrijpen waarom God zoveel van mij houdt. Dan zou zijn liefde niet groter zijn dan mijn begrip. Hoe klein zou die liefde dan zijn? Ik wil haar alleen nog maar ontvangen. En vanuit die genade leven.”





